Ooit is iemand begonnen met mannelijke woorden te gebruiken voor God en nog steeds doen we dat. Het is een diepgewortelde gewoonte geworden waar een dikke ‘dit-kan-je-niet-veranderen-deken’ overheen ligt. De mannelijke woorden en beelden voor God in combinatie met strenge kerkvaders die pretendeerden te weten wie God is en aan welke regels ik me als klein meisje moest houden, maakten dat ik bang werd voor God. Ik bad omdat ik dacht anders straf te krijgen. Aan de andere kant hoorde ik de verhalen van Jezus op school en en in kerk. Daar was God Liefde die via Jezus uitgedragen werd en onvoorstelbaar mooie dingen veroorzaakte die mij vertrouwen gaven in God en in het leven.

Laatst vroeg een man mij of ik ‘dit’ wel mag doen. Hij bedoelde de taal voor God veranderen. Ik zei heel stoer ‘zeker mag ik dat doen, want God is geen man’. Maar toch voelde ik nog een lichte schrik om mijn hart slaan.

Nog steeds heb ik dus zelf twijfel of ik dit wel mag doen ten aanzien van ‘de man’. Die twijfelares in mij is een reactie vanuit het verleden.Mijn lichaam reageert nog op mannen die refereren aan de zelfgemaakte regels van de kerken. Je eigen denken en voelen moet je dan opzij zetten en hun regels opvolgen.

Als je ‘de deken’ doorziet blijft over dat je inziet dat God gewoon geen man is, dat de  benoeming van  de mannelijke God mannelijke dominantie over heel de wereld heeft veroorzaakt. Dat het wereldwijd disbalans heeft veroorzaakt tussen vrouwen en mannen, vrouwelijk en mannelijk.